Hoe oud moet je zijn voor nostalgie? De IHAC, dé oldtimerclub bij uitstek, kent leden vanaf 30 jaar. De club geldt inderdaad als hét bindmindel voor liefhebbers van oldtimers, is gevestigd in Geleen en die plaats is daarmee het Europese centrum voor oldtimerliefhebbers. Eenmaal per jaar wordt dat duidelijk tijdens de Geleense Oldtimer Parade, in de loop der jaren uitgegroeid tot een begrip als oldtimer- en classiccarevenement. Ad Hoogenboom, secretaris van de IHAC: "Onder oldtimers verstaan we hier auto's van 1940 of ouder. Auto's van na die periode, maar met een leeftijd van minstens 25 jaar zijn classic cars. Die auto's zijn vooral geliefd bij wat jongeren."
De IHAC beperkt zich tot old timers en de leden komen uit Nederland, België en Duitsland, tot Rosenheim, bij München, toe. De oudste geregistreerde auto binnen de club is een De Dion Bouton uit 1904. "De waarde van een auto is niet alleen afhankelijk van de leeftijd, maar ook van het aantal ooit gefabriceerde exemplaren en natuurlijk de uitvoering. Een Duesenburg kan zo zeven of acht ton waard zijn." Hoogenboom bezit zelf een Opel 1,3 (1934). Hij had ook nog een open Peugeot 109 uit 1929. "Maar ik kan maar in één auto tegelijkertijd rijden. Naar mate je ouder wordt is het onderhoud zwaarder en de Peugeot is vrij smal."
Buick en Chevrolet
Een ander lid is Harry Kerkoffs uit Groot-Genhout. De timmerman knutselt graag aan metalen oldtimers. Dat begon met een oude kever die zijn zoon kocht in 1990. Nu staan ook een Buick uit 1924 en een Chevrolet uit 1925 in de garage van Harry Kerkhoffs in Groot-Genhout.
"Mijn zoon was in 1990 nog geen 18. Samen hebben we die kever opgeknapt, er een cabrio van gemaakt. Sindsdien heb ik de smaak te pakken. Ik kocht een Citroën vrachtauto uit 1930 en knapte die op. Maar je zat er niet plezierig in, dus heb ik die weer weggedaan. Toen volgde een open Buick uit 1924. Hij reed, maar daar is alles mee gezegd. Ik heb er veel aan geknutseld, nu is hij in perfecte staat!" Maar aan een open auto heb je weinig als het regent. Dus kocht Harry ook een Chevrolet uit 1925. "Die had tien jaar in een showroom gestaan van en autodealer. Hij was optisch gerestaureerd. Chevrolet was vroeger een goedkoop merk en dat zie je: hij had bijvoorbeeld geen benzinemeter, de Buick wel. Dat was een prestigemerk."
Om met deze auto's op de weg te mogen waren aanpassingen vereist. "Deze auto's hadden bijvoorbeeld geen richtingaanwijzers en de Buick had maar één achterlicht. In België mag je er zo de weg mee op, in Nederland niet." Autowegen mijdt Harry met deze auto's, die nauwelijks harder kunnen dan 70 kilometer per uur. Om meer kennis op te doen werd Harry in 1992 lid van de IHAC. "Daar tref ik andere hobbyisten uit de Euregio en krijg ik advies en medewerking. Het unieke van die club is dat ze zich alleen bezig houdt met auto's van voor 1940. Dat zijn de echte oldtimers."
Cadillac
Raymond Huynen (62) uit Nuth is acht jaar lid. "De Geleense oldtimerparade passeert ons huis en we vonden dat boeiend. Daarom zijn mijn vrouw Lenie en ik de opvolgende jaren gaan kijken. Uiteraard wil je dan ook zo'n auto. Lenie en ik zetten onze verlangens op een rij en we kwamen uit bij een Cadillac 314 uit 1925. Het exemplaar dat we kochten in België had een kapotte motor en een defecte waterpomp. En we moesten de verlichting aanpassen aan de Nederlandse eisen." Raymond werkt in Heerlen als ambulancier. "Maar ik was er ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de auto's. Ook thuis knutselde ik veel aan auto's, ik had zelfs al een hefbrug. Ik heb de auto zelf opgeknapt. We rijden tussen april en oktober eenmaal per maand in onze Cadillac, tijdens de tochten van de IHAC. Lenie poetst de auto voor en na elk uitje."
De Cadillac gebruikt een liter benzine per vier kilometer. "Alle hedendaagse benzine voldoet. Vergeet niet dat brandstof in de bouwjaren van deze auto's van veel slechtere kwaliteit was." De auto behoudt zijn waarde en stijgt zelfs iets. Verder binnen de IHAC: een Genard Walker, in 1932 gebouwd in Frankrijk, een Singer (1940), een A-Ford (1930), een Lalicorne (1910), een AC4 Citroën (1930) en meer.
"Besmet"
Appie Mevissen uit Sittard is penningmeester van de IHAC en bezit zelf een AC4 Citroën uit 1926. "Het is mooie hobby. Je begint met één auto en dan word je ermee besmet. Met onze club organiseren we ook regelmatig ritten. Dan rijdt, voor de zekerheid, altijd een oplader mee voor het geval één van de auto's de tocht niet volbrengt. We zetten doorgaans routes op van ongeveer 35 en 75 kilometer lang. De korte route is ook geschikt zijn voor de oudste voertuigen."
Hoogenboom: "Tot onze club behoren geen MG's-rijders. "Die hebben hun eigen club, die vaak snelheidsritten organiseert. Wij doen echte toerritten."
tekst: Bert Salden
foto: Loe Geraards
|